Nonnenviool

Het trompetspel was in voorbije eeuwen voorbehouden aan leden van het trompettistengilde.

Nonnenviool

De trompettisten hadden sterke banden met de aristocratie: zij waren vaak in koninklijke dienst.

Een trompetspelende non was derhalve uitgesloten. Om toch signalen te kunnen produceren en te musiceren in hun kloosters maakten de kloosterzusters tot het eind van de negentiende eeuw gebruik van de nonnenviool. De nonnenviool of tromba marina is een imitatietrompet: het is een lange, slanke bas met meestal maar één snaar. De speler staat of zit met het brede eind van het instrument gesteund op de grond. De snaar wordt vlak bij de top gestreken, net onder de kin van de muzikant.

Met de duim worden zogeheten ‘flageoletten’ gemaakt: als de duim de snaar zachtjes op bepaalde plaatsen aanraakt (op de helft, ene derde, een kwart, etc.), dan klinkt een boventoon. De plaatsen van de knooppunten worden met merktekens op de toets aangegeven.

De laagste tonen vormen de bekende reeks waarmee signalen als de reveille en taptoe kunnen worden gespeeld en de tonen acht tot en met zestien vormen een bruikbare toonladder waarmee melodieën gevormd kunnen worden. 

Een vaste kam ondersteunt de snaar bij het ondereinde en vlak daarboven heeft de nonnenviool ook nog een asymmetrische kam, waarvan één voetje op het bovenblad ratelt. Het timbre dat dit oplevert, doet denken aan een trompet en ook de toonreeks is dezelfde als die van de trompet van voor de ventielen, vandaar de naam (zie detailfoto).

Periode
DOOR
DATUM
VERHALEN (0)